Aan tafel bij Jeroen Pauw

Updated: Jan 10

Wat hadden Sapfo en Jocelyn Bell Burnell, die eeuwen uit elkaar leefden, met elkaar gemeen? Volgens Jeroen Pauw deden ze niets zinvols voor onze samenleving. Nou, Jeroen, je hebt het mis en Jasmijn vertelt je in dit artikel waarom.

In 1963 gaf Gerda Lerner (1920-2013) in New York een collegereeks over belangrijke vrouwen in de Amerikaanse geschiedenis. Deze reeks wordt gezien als de eerste collegereeks over vrouwen in de geschiedenis ter wereld. Lerner zou uitgroeien tot de oermoeder van de vrouwengeschiedenis door haar vele publicaties en haar bijdrage aan de ontwikkeling van onderwijsprogramma’s en PhD-trajecten in de Verenigde Staten. Haar bekendste uitspraak was echter niet alleen gericht op het verleden, maar ook op de toekomst: ‘women's history is the primary tool for women's emancipation.’ Dus, hoe gaat dat in zijn werk? Werkelijk op talloze verschillende manieren. Om het een beetje te kunnen illustreren, hebben we een goed voorbeeld nodig. En daar hoef je niet lang naar te zoeken, ook niet in Nederland!


Toen journalist en presentator Jeroen Pauw in 2014 met zijn programma Pauw ging beginnen, stemde hij in met een interview voor het Algemeen Dagblad. Daarin beantwoordde hij de vraag of er bij Pauw meer vrouwen aan tafel zouden komen zitten met de uitspraak ‘als ze langzamerhand iets in onze samenleving gaan betekenen wel’. Het was een inleidend statement over zijn observatie dat er aan de spreekwoordelijke top toch nog heel weinig vrouwen voorkomen en dat die realiteit zich vertaalt naar de tafels van late night shows. Maar met die eerste zin, die klakkeloos door andere media outlets werd gekopieerd en geplakt, leek het alsof Pauw bedoelde dat vrouwen niets doen en daarmee het gebrek aan representatie aan zichzelf te danken hebben. Of hij het nou zo meende of niet, de vrouwengeschiedenis zou hem doen overtuigen dat vrouwen in het algemeen al lang aan zijn voorwaarde voldoen en dus dubbel en dwars een plekje aan zijn tafel hebben verdiend. Bovendien zou het verleden hem doen inzien waarom hij dacht dat ze nog niks hebben betekend.


Welke historische vrouwen zouden aan tafel bij Jeroen Pauw daar wat meer over kunnen vertellen? Allereerst zou de Griekse dichteres Sapfo van Lesbos (ca. 630-570 v.Chr.) het woord moeten krijgen. Er is niks met zekerheid te zeggen over haar leven, behalve dat ze de best gewaardeerde vrouwelijke dichter uit de Oudheid was. Naast de gedichten waar ze bekend om is geworden, heeft ze waarschijnlijk ook geschreven over politiek. Dat werk is alleen verloren gegaan. In Sapfo’s tijd werden geschriften vooral collectief bewaard in bibliotheken, waarbij men moest kiezen wat daar werd opgeslagen. De meeste schrijfsels van vrouwen over ‘mannen onderwerpen’ (zoals politiek) werden niet als boeiend beschouwd en opzettelijk vernietigd. Indirect werd er door dit beleid bepaald waar vrouwen wel en niet over konden schrijven.


Sapfo bleef toch één van de weinige hooggewaardeerde vrouwelijke dichteressen. Maar de Engelse schrijfster Elizabeth Gaskell (1810-1865) raakte eeuwen later geheel in diskrediet. Gaskell schreef werken als Ruth en North and South, waarin ze de dynamische wereld van de fabrieksindustrie omschreef. Vrijwel direct na haar overlijden, werd ze gezien als een schrijfster die ‘haar natuurlijke tekortkomingen’ niet wist te overwinnen. In andere woorden: ze was een vrouw en kon daarom onmogelijk schrijven over dit onderwerp. Pas in de jaren 1950 werd ingezien hoe waardevol het werk van Gaskell was om te begrijpen wat er allemaal veranderde door de Industriële Revolutie.


Dat vrouwen überhaupt schreven, daar hadden veel mensen ook eeuwenlang moeite mee, zo zou Mary Wollstonecraft (1759-1797) kunnen vertellen. Wollstonecraft was een Engelse schrijfster, filosofe en voorvechtster van vrouwenrechten, die in Parijs leefde tijdens het terreurbeleid van de Jacobijnen na de Franse Revolutie. Hier schreef ze als directe getuige interessante werken over. Wollstonecraft is echter het bekendst geworden door haar pamflet On the vindication of the rights of woman, waarin ze betoogt dat de hele maatschappij er baat bij heeft als alle vrouwen onderwijs krijgen. Na haar overlijden schreef haar weduwnaar met de beste intenties een biografie, waarin hij haar onorthodoxe leven, vol affaires, buitenechtelijke kinderen en zelfmoordpogingen uit de doeken deed. De gemiddelde 18de eeuwse lezer had al moeite met een vrouw die meningen had. Maar nu was ze ook nog eens een sloerie die het leven niet waardeerde! Wollstonecrafts werk werd tot de tweede feministische golf nog nauwelijks gelezen.


Ook in de wetenschappen werkte het lange tijd ontzettend tegen je als je vrouw was, waar Maria Sibylla Merian (1647-1717) over mee kan praten. De Duitse natuuronderzoekster trok naar Suriname, waar ze twee jaar lang de insecten en planten van het land onderzocht en tekende. Haar werk stond meer dan een eeuw hoog aangeschreven. Maar vanaf de 19de eeuw werd er steeds slechter over gesproken. De toen door het kolonialisme doordrenkte academische wereld, was niet langer gecharmeerd van Merians gebruik van lokale planten- en insectennamen, die zij als inferieur aan het Latijn zagen. Ze zou volgens critici het bed hebben gedeeld met Surinaamse mannen, door wie ze zou zijn overgehaald om de door hen gegeven namen te vermelden. Een mannelijk natuurwetenschapper zou dat volgens hen natuurlijk nooit zijn overkomen.